Urnenveld ‘in den Bisschop’

 

 

 

                                                                                                                                               het grafveld in 2004

 

 

Grafveld Busjop

 

In het natuurgebied het Leudal (Heythuysen, gemeente Leudal), langs de Busschopsweg, in de buurt van het vennetje Budsjop (voorheen Heytserven) en uitspanning de Busjop, ligt een uitgestrekt grafveld dat voornamelijk gebruikt is van de Late Bronstijd tot en met de Vroege IJzertijd. Van ca 1100-800 v.Chr. begroef men hier na crematie de as van de doden. De as werd in een urn of doek gedaan en het geheel werd afgedekt met een laag heuveltje van plaggen. Ieder individu kreeg een eigen grafmonument. Door telkens een nieuwe heuvel vlakbij een andere aan te leggen, ontstond een uitgestrekt grafveld of urnenveld.

 

 

Genaamt den Bisschop

 

Het gebied waarin het grafveld ligt, werd begin vorige eeuw ‘In den Bisschop’ genoemd. Synoniemen voor bisschop zijn busschop, buscop en buskop. Ook busjop blijkt een synoniem voor bisschop: over de inwijding van een fontein in Roermond in 1948 wordt in het dialect geschreven, “De busjop in zien bèste kleijer, ziene mijter op en de sjtaaf in de henj, baejde heel sjoon.” Mogelijk betekent budsjop eveneens bisschop.

 

 

                  

                           Journal de la province de Limbourg,  advertentie geplaatst van 27 januari – 6 februari 1820

 

 

Op de eerste kadasterkaart van Heythuysen uit 1811-1832 komt de naam Bisschop niet voor. De huidige Busschopsweg heette toen nog Bosch Straat.

 

In het archief van de familie Waegemans (archief Roermond) komen verschillende aktes voor die betrekking hebben op De Bisschop in Heythuysen, maar pas in 1813 wordt de naam voor het eerst genoemd. In 1812 koopt de Waegemans er 21 are bos en een jaar later ruim 46 are akkerland. In 1813 wordt door het Vredesgerecht een vonnis uitgesproken in de zaak Waegemans vs Vermeulen inzake een grondrente gelegen in het bos genaamd Bisschop. In 1820 wordt het bos opnieuw met naam genoemd in advertenties van Waegemans over houtverkoop. Is Nunhemse Waegemans de naamgever van het bos?

 

        

 

In 1863 wordt er op 9 februari in de krant de verkoop aangekondigd van een partij ‘dennenkeepers’ ‘in den Bisschop te Heijthuisen’, daartoe wordt er vergaderd ‘op den Bisschop’. Datzelfde jaar komt in september het dennenbos ‘genaamd den Bisschop gelegen onder Heijthuisen’ in de verkoop.

‘Den Bisschop’ blijkt naast de naam van een bos, ook de naam van een boerderijtje te zijn. Op 27 augustus 1881 wordt ‘eene kleine hoeve genaamd de Bisschop’ te pacht aangeboden en 28 augustus 1897 wordt de bouwhoeve “de Bisschop” onderhands te koop aangeboden met 6 hectare, 30 are en 65 centiare grond. Op de Tranchotkaart uit de periode 1803-1820 is geen bebouwing aangegeven, maar op de eerste kadasterkaart uit 1811-1832 staat de boerderij wel ingetekend. In de oude keukenvloer is het met afwijkende kiezels ingelegde jaartal 1822 gevonden, ongetwijfeld het bouwjaar van de hoeve.

 

 

      

 

           het wapen van Heythuysen

Het kwam geregeld voor dat een boerderij de naam van de bewoner kreeg. Maar in de 19e eeuw  kwamen alleen de familienamen Bisschops en Busschops voor in de contreien. Deze en eerdere dragers van de naam waren volgens de stamboomregisters niet als landbouwer actief in Heythuysen. Ook droeg het bos al negen jaar voor de bouw van de boerderij de naam Bisschop.

 

Toen notaris Guillon in 1842 de Busjop bezocht (zie later) was lokaal al niet meer bekend waar de naam Bisschop vandaan kwam. De notaris dacht dat de naam misschien ontleend was aan predikers die er hun geloof hadden uitgedragen.

 

Het bos en/of grond waaraan later de nieuwe hoeve en ook het grafveld de naam ontleende, is mogelijk door de verse Nunhemse eigenaar Waegemans in 1813 vernoemd naar de patroonheilige van Heythuysen, bisschop St. Nicolaas. Het bos en de boerderij was vanuit Nunhem en Haelen gezien de eerste halteplaats op de toen doorgaande weg naar Heythuysen. Je was daar gearriveerd op ‘het land van de bisschop’.

 

    Busschop

 

    Een nieuwe pachter opende In 1918 een café in de boerderij. Er treedt een verschuiving in de naam op, in de jaren dertig

    wordt in de krant geadverteerd onder de naam ‘Busschop’ en ‘café Busschop’, de handboogschutterij heeft een clublokaal

   ‘op de Busschop’. Vóór WO II komt de naam Busjop in de kranten niet voor.

 

    Busjop

 

    In overleg met betrokkenen uit de streek die zitting hadden in een klankbordgroep, is bij de aanvang van de restauratie

    van het grafveld in 2010 besloten de naam Busjop aan te houden.

 

 


 

 

 

 

Urn met zgn pseudo-Kerbschnitt versiering, in 1951 gevonden in het Grafveld Busjop

(Collectie Rijskmuseum van Oudheden, Leiden)

 

 

 

Vroegst bekende opgraving: 1842

 

“Den 10 en 11 mei 1842 heb ik te Heithuizen bij den pachthof genaamd Bisschop, toebehorende aan den heer Waegmans van Buggenum, 13 welbewaarde urnen gevonden.”

 

Deze aantekening van oudhedenliefhebber en verzamelaar notaris Charles Guillon (1811-1873) is de oudst bekende vermelding van het grafveld Busjop. Maar hij was niet de eerste die er opgravingen deed, hij vermeldde dat een andere opgraver 30 urnen had gevonden. De notaris kreeg in 1842 van Vermeulen, distillateur in Heythuysen, nog vier urnen en een bronzen naald. Van Gerard en Maria Vermeulen is bekend dat zij in 1845 in de nabijgelegen Crijnshof een jeneverstokerij hadden.

 

Karel Guillon had in zijn woonhuis in Roermond een museum ingericht voor zijn uitgebreide verzameling oudheden. Maar na zijn dood in november 1873, hij overleed aan ‘eene sleepende en pijnlijke kwaal’, besloten zijn erfgenamen de boedel te veilen. Een aangekondigde verkoop van de ‘prehistorische oudheden’ op 11 januari 1875 ten sterfhuize werd op 2 januari weer ingetrokken hoewel er al wel een catalogus voorhanden was. In 1890 werd er alsnog geveild. Negen aardewerk-objecten afkomstig uit Heythuysen en drie vermoedelijk/mogelijk afkomstig uit Heythuysen kwamen terecht in het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden (zie de GL-serie urnen op de pagina ‘Ter aarde’). De objecten GL 72 en GL 113 zijn zeker afkomstig van grafveld Busjop.

 

 

 

   

 

 

Rechts: Charles Guillon door Jean Henri Leeuw

   

 

 

Het grafveld raakte na de opgravingen van Charles Guillon niet geheel vergeten, maar bijna een eeuw lang was de belangstelling voor de plek vrijwel nihil bij de officiële instanties.

 

 

 


 

‘Herontdekking’ in 1934

 

Vondstmelding

 

Het grafveld werd in de jaren dertig van de vorige eeuw weer onder de aandacht gebracht van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig  Bodemonderzoek. In het archief van de Rijksdienst bevindt zich een vondstmeldingskaart met een aantekening van de heer L.D. Keus te Venlo van 22 september 1934:

 

“Verder bezocht ik gisteren de juiste plaats, waar de urn met het ijzer erin is gevonden. Deze plaats ‘In den Bisschop’ geheeten, ligt dichter bij Heythuizen dan bij St. Elisabeth. In de nabijheid daarvan zijn verscheidene heuvels, die nog ongerept zijn”

 

Voormalig kapitein der infanterie en verwoed amateur-archeoloog L.D. Keus uit Venlo was berichtgever van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Het museum had een heel netwerk aan berichtgevers in het land. Zij kregen een officiële rijksaanstelling en tipten het museum als ergens iets belangwekkends werd gevonden, of andersom, het museum vroeg ze bij opgravingen te gaan kijken.

 

 

Opgerold zwaard

 

Toen in 1951 het grafveld onderzocht werd, vertelde een omwonende dat ooit een urn aangetroffen was met boven op de asresten een opgerold ijzeren zwaard. Onderzoekster Liesbeth Theunissen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft deze geschiedenis zestig jaar later alsnog uitgezocht. Haar verslag:

 

In de archieven van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden is correspondentie bewaard waarin het een en ander over het zwaard van 'In den Bisschop' is opgetekend. Oudheidkundige Keus uit Venlo schreef in de jaren dertig van de vorige eeuw vele brieven naar Holwerda, de directeur, soms wel twee brieven per dag.

 

Keus had een zending van materiaal uit het grafveld 'In den Bisschop' naar Holwerda gestuurd, daarop schreef Holwerda het volgende terug:

 

'[...] Ik ontving eenige dagen geleden van u een stuk hertshoorn, een aantal ijzeren fragmenten, die mogelijk met elkaar van een zwaard afkomstig zijn en voorts een urnfragment van een Gallo-Germaansche urn. Alles is echter te zeer fragmentarisch dan dat wij hier eenige zekerheid zouden hebben. Wat is uw bedoeling dat wij met deze zending doen? Voor ons hebben deze voorwerpen feitelijk betrekkelijk weinig waarde. [...]'.

 

Keus vraagt ze dan terug. Waar de stukken vandaag de dag zijn, bijna tachtig jaar later, is een open vraag. Heel veel zal er niet van over zijn ...

 

 

Grafheuvels in een bosch

 

Na de melding van het grafveld bij ‘In den Bisschop’ heeft de conservator van het Rijksmuseum van Oudheden poolshoogte genomen. Er is een fiche in het archief van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig  Bodemonderzoek waarop staat:

 

“Gem. Heythuizen. Aantekening Dr. F.C. Bursch April 1935: Z.O, van Heythuizen ligt een aantal groote en lage grafheuvels in een bosch van hoogopgaande dennen. Een opgraving is dus voorlopig onmogelijk door deze terreinomstandigheden.”

 

Een paar jaar na de herontdekking is het grafveld lokaal alom bekend. Bij het St. Servatiuskamp staat in de zomer van 1939 op het heemkunde-programma:

 

“Dinsdag 8 augustus om 4 uur spreekt dr. G.A.J. Beckers uit Beek over ‘De praehistorie van Limburg’. Hierop, indien de tijd het toelaat, bezoek aan de grafheuvels bij “de Busschop” en korte bespreking van ‘De Redding van oude gebruiksvoorwerpen”.

 

 

 


 

Onderzoek in 1951

 

Ruim vijftig

 

In de directe omgeving van café-boerderij Busschop werden na de oorlog meerdere urnen gevonden, schrijft Sauren in 1980. Een bezoeker van de publieksdag in september 2011 vertelde dat hij toen vlak naast de boerderij, op de plek waar nu een paardenwei gesitueerd is, een twintigtal heuveltjes had omgeploegd en daarbij scherven was tegengekomen.

 

De vondsten waren aanleiding voor een systematische opgraving. In 1951 is het Grafveld Busjop door wetenschapper Hijszeler van het Rijksmuseum Twente onderzocht en zijn er ruim vijftig bijzettingen in de vorm van crematieresten blootgelegd. De crematieresten waren in de meeste gevallen met een heuveltje bedekt, maar niet altijd in een urn geplaatst. Het onderzoek bracht een twintigtal urnen en een aantal kleine fragmenten van bronzen voorwerpen aan het licht. De meeste vondsten, 36 min of meer complete urnen, schaaltjes en bijpotjes en 15 bronsfragmenten, zijn ondergebracht in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.

 

                                 Zie  hier  en  hier  wat gevonden is in 1951 in het grafveld Busjop.

 

 

                              

 

 

 

                              

 

 

                                  Bijpotje en een 5 cm lang bronzen voorwerp (vermoedelijk een fragment van een armband) in 1951

                                  opgegraven in het grafveld Busjop

 

 

Lage heuvels

 

Het grafveld bestond midden vorige eeuw uit lage heuvels. In maar vier gevallen was de heuvel hoger dan een halve meter, waarvan één met een hoogte van ca. 65 cm, zo tekende Hijszeler destijds op. De hoogte van acht heuvels bedroeg tussen de 30 en 50 cm, de rest was lager. Veel waren zelfs lager dan 10 cm zodat slechts van een lichte welving gesproken kan worden.

 

Geen kuilen

 

De urnen waren doorgaans omgeven door houtskool en waren op de bodem of in de heuvel daar iets boven geplaatst. Slechts één urn was echt ingegraven. Dat is bijzonder, zowel in noord als in zuid Nederland waren de bijzettingen gewoonlijk in een kuiltje ingegraven voordat het geheel werd overdekt met een heuvel.

 

 

 

 

 

 

Datering

 

In de Vroege Bronstijd werd ter versiering van het aardewerk touw om de nog te bakken pot gewikkeld; het liet afdrukken achter in de klei; het product wordt een wikkeldraadbeker genoemd. In de Midden Bronstijd werd touw nog steeds gebruikt om versiering aan te brengen, in potten van het Hilversumaardewerk uit die tijd zijn vaak touwafdrukken te vinden. In grafveld Busjop is een scherf Hilversumaardewerk met touwafdrukken gevonden. Het zou het vroegste gebruik van het grafveld in de Midden Bronstijd kunnen dateren maar de contextinformatie van de scherf is onbekend en dat maakt interpretatie speculatief.

 

 

 

                                                       

 

                                                         scherf Hilversumaardewerk uit grafveld Busjop met touwindrukken als versiering

 

 

 

De gevonden urnen behoren tot verschillende typen. Aan de hand van de versiering, vorm en afwerking van het oppervlak, zijn deze urnen ook in de tijd te plaatsen. Een aardewerken pot met ingekraste lijnen en rijen van ingedrukte kleidelen, zogeheten pseudo-Kerbschnitt versiering, dateert van omstreeks 1000 v.Chr., de Late Bronstijd. De pot heeft pseudo-Kerbschnitt versiering omdat  de klei (voor het bakken) ingedrukt is en niet uitgestoken zoals bij Kerbschnitt. Een pot met opzettelijk ruw gemaakte wanden, een zogeheten ‘besmeten oppervlak’ en een rij vingernagelindrukken op de rand wordt Harpstedt-aardewerk genoemd. Dit type dateert van omstreeks 800 v.Chr., de Vroege IJzertijd. Schräghals-urnen zijn lage buikige potten zonder oren en met een naar buiten staande hals. Ook deze potten dateren uit de Vroege IJzertijd. ‘Kerbschnitt’, ‘Harpstedt’ en Schräghals’ zijn termen afkomstig uit de Duitse archeologie. Schalen dekten soms de urnen af; kleine bijpotjes en enkele bronzen voorwerpen (nu fragmenten) vormden de bijgaven.

 

 

 

 Bronstijd

 2000-800 v. Chr.

 IJzertijd

 800-12  v. Chr.

 Vroeg

 2000-1800

 Vroeg

 800-500

 Midden

 1800-1100

 Midden

 500-250

 Laat

 1100- 800

 Laat

 250-12

 

 

 

Uit onderzoek aan het aardewerk is geconcludeerd over het algemeen de potten dateren uit de periode Late Bronstijd - Vroege IJzertijd: 1000 / 900 – 700 / 600 voor Chr.

 

 

 

                                       

                       

 

 

                                      

 

 

                                           Urnen uit het grafveld bij de Busjop, De eerste urn heeft pseudo-Kerbschnitt decoratie (de hoogte

                                           van de tweede pot is ca. 19 cm), de één na laatste is een Harpstedt-urn (uit Harsema, 1973)

 

                                           De rij urnen en ander aardewerk uiterst rechts is in 1951 opgegraven in het grafveld.

 

 

 

 


 

 

 

 

                                                                                                                                                            het grafveld in 2009

 

 

 

Onderzoek in 2010-2011

 

Bij de restauratie van het grafveld in 2010-2011 is het grafveld opnieuw onderzocht door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De eerste veldwerkfase van het onderzoek bestond uit het zetten van een veertigtal boringen, in twee rijen, haaks op de dekzandrug waarop het grafveld de Busjop ligt. Met een grote boor, doorsnede 15 cm, is het bodemprofiel tot ca. 1 meter diep bestudeerd. Doel van dit onderzoek was de intactheid van de bodem vast te stellen en een eerste inzicht te krijgen in de archeologische potentie op eventueel aanwezige bewoningssporen uit een tijd voorafgaand aan de grafveldperiode.

 

Intact bodemprofiel

 

De resultaten lieten zien dat grote delen van het bodemprofiel van het grafveld nog goed intact zijn, wat de archeologische waarde van het Rijksmonument bevestigt. In een van de boringen zijn flinters vuursteen aangetroffen. Het betreft afslagen, het is afval dat ontstond bij vuursteenbewerking. Ze zijn ter plekke gemaakt, of in de nabije omgeving (en later een stukje verplaatst door bijvoorbeeld gravende dieren of groeiende plantenwortels). De vuursteenafslagen stammen waarschijnlijk uit de vroege prehistorie en tonen aan dat ook in die tijd al mensen verbleven op de dekzandrug waarop later het grafveld is ontstaan.

 

 

 

 

 

                                                       Bodemprofiel van het gebied zoals naar voren kwam in één van de rijien boormonsters

 

Langbed

 

Nadat het terrein van begroeiing was ontdaan volgde een visuele inspectie later gevolgd door nieuw booronderzoek. Doel was het terugvinden van grafheuvels waarvan de locatie niet (meer) bekend was. Bij onderzoek in 1951 werden nog een 50 begravingen geteld. Veel kleine heuvels zijn in de loop der jaren door de werkzaamheden in het bos afgevlakt en vaak niet of nog nauwelijks zichtbaar in het veld. 

 

Aan de nog elf bekende grafheuvels konden zes verloren gewaande locaties toegevoegd worden. Twee heuveltjes bleken bij elkaar te horen. Van oorsprong maakten ze onderdeel uit van een 22 m lange ovale verhoging, een zogenaamd langbed.

Een langbed is een langwerpige grafheuvel van grote afmetingen. Van de Zuid-Nederlandse zandgronden zijn maar een veertien langbedden bekend, vier daarvan zijn gerestaureerd. Uit het aangrenzend gebied in België zijn vier opgegraven langbedfragmenten bekend. Voor de Busjop geldt dat het ontdekte langbed waarschijnlijk het oudste grafmonument is: de begravingstraditie is met deze heuvel op de dekzandrug begonnen.

 

 

 

 

Een grijs zandlaagje in de boorguts is een van de aanwijzingen dat een heuvel inderdaad in een

ver verleden is opgeworpen (Foto: © Liesbeth Theunissen, RCE).

 

 

 

 

De situatie na de restauratie van 2010-2011: 17 grafheuvels zijn gelocaliseerd waaronder een

langbed; in het paarse gedeelte zijn de voorwaarden geschapen voor de ontwikkeling van heidevegetatie.

 

 

Depot-onderzoek

 

Al het vondsmateriaal uit het onderzoek in 1951 is door de RCE beschreven, getekend en gefotografeerd. Scherven zijn in elkaar gepuzzeld tot potten. Uit de informatiebrochure ‘Prehistorisch grafveld herrezen uit het bos’:

 

“Het oppervlak [van de potten] is goed afgewerkt; met een gladde steen is over de kleiwand gewreven zodat een glimmende buitenkant ontstond. Soms is zelfs de binnekant van de pot gepolijst. Opvallend is dat de kleine bijpotjes qua vorm sterk lijken op de grote urnen, waarin de crematieresten waren bewaard. Deze bijpotjes zijn bovendien sterk verbrand. Kennelijk zijn deze op de brandstapel gezet, gezamenlijk met de overledene. Misschien bevatten ze voedsel, drank of kruiden voor de dode. Uit de potvorm, wijze van versiering en afwerking kunnen we afleiden dat de oudste urnen uit omstreeks 1100 v. Chr. dateren en de jongste uit ca 800 v. Chr.”

 

 

Ouderdom en omvang

 

Voortschrijdend inzicht heeft uiteindelijk de periode waarin het grafveld gebruikt werd, gesteld op 1000 / 900 – 700 / 600 voor Chr. Het grafveld omvatte oorspronkelijk meer dan 50 heuvels over een oppervlakte van ruim 3 ha. Maar de onderzoekers sluiten zich aan bij een uitspraak van Hijzeler in 1951 die stelde dat het grafveld “eertijds nog veel groter moet zijn geweest.”

 

 

 


 

Bronnen

 

O.H. Harsema, 1973.

Het Leudal als woongebied in de prehistorie. 

in: Het Leudal. Beeld van een Midden-Limburgs Beekdal. Studiegroep Leudal e.o.

 

Leon Sauren, 1980

De Busjop. Geschiedenis van een café-boerderij in Heythuysen.

Rondom het Leudal jrg 5, nr 20 p 3-13.

 

Ph. Bossenbroek, E. Rensink & M. Montforts, 2005.

Erfgoedstrategie voor het Leudal.

Staatsbosbeheer en Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten.

 

Liesbeth Theunissen 2010-2011

Email-berichten over de voortgang van het onderzoek door de de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

 

Eelco Rensink en Liesbeth Theunissen, 2011

Het grafveld De Busjop beter in beeld.

Rondom het Leudal jrg 36, nr 141 p 3-7.

 

Liesbeth Theunissen en Cees van Rooijen, 2012

Prehistorisch grafveld herrezen uit het bos

Voorlichtingsfolder/brochure RCE / Staatsbosbeheer (oplage 300)

 

Liesbeth Theunissen en Cees van Rooijen, 2012

Busjop zonder bos

Tijdschrift van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, nr 2 pg 28-29

 

E.M. Theunissen, J.W. de Kort, E. Rensink en L.B.M. Verhart, 2013

Prehistorisch grafveld de Busjop bij Heythuysen weer zichtbaar

Rapportage archeologische Monumentenzorg 214

Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed

 

Het historisch krantenarchief Roermond:  www.roermond.nl/index50504.htm

 

Historische kranten:  kranten.kb.nl

 

Stamboekregisters van het Leudal:  Register

 

Het vaatwerk boven en rechts is in 1951 opgegraven in de Busjop door Hijszeler:

Collectie Rijksmuseum voor Oudheidkunde, Leiden

 

Het bronzen voorwerp en de scherf van Hilversumaardewerk zijn in 1951 opgegraven in de Busjop door Hijszeler:

Collectie Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Overijssel, dr A.D. Verlinde,  Deventer

Foto’s uit :

Ph. Bossenbroek, E. Rensink & M. Montforts, 2008.

Beken in het Leudal.

In Archeologie en beekdalen. Schatkamers van het verleden. p 40-57. Uitgeverij Matrijs, Utrecht

 

 

 


 

 

         

          Home